Deze maand publiceerde de OESO-DAC de voorlopige cijfers van ODA-uitgaven in 2025 door de lidstaten. De totale ODA is met 23.1% gedaald ten opzichte van 2024. Dit is de sterkste jaarlijkse krimp die ooit in de geschiedenis van ODA is gemeten. Eind januari bracht Eurodad al het rapport Aid off course – How ODA reform has left the Global South behind uit. Dat rapport analyseert hoe veranderingen in regels wereldwijd hebben geleid tot grote veranderingen in de Official Development Assistance (ODA). Hieruit volgt de pijnlijke conclusie dat ODA haar belangrijkste prioriteit, het ondersteunen van ontwikkeling in het Globale Zuiden, uit het oog dreigt te verliezen. Een belangrijke oorzaak hiervan is incoherent beleid zoals het meetellen van in-donor refugee costs (IDRC), de verandering van giften naar leningen en de groeiende rol van publiek-private belangen.
Steun die nooit het land verlaat
Landen zijn geprikkeld om hun internationale ODA beloftes hoog te houden, maar willen wel de kosten beperken. Daarom wordt er gezocht naar manieren om de ODA hoeveelheden kunstmatig hoog te houden. Een duidelijk voorbeeld hiervan zijn de kosten van de eerstejaars opvang van vluchtelingen (IDRC). Dit zijn binnenlandse kosten en ondersteunen op geen enkele manier internationale ontwikkeling. Toch wordt dit toegerekend aan het ODA-percentage. Dit geeft een vertekend beeld van het ODA van een land, geld dat bedoeld is voor posten zoals zorg en onderwijs in ontwikkelingslanden. Dit is mogelijk door de regelgeving van het OESO Development Assistance Committee (OESO-DAC) die de opname van eerstejaars opvangkosten in het ODA-budget toestaat. Deze regelgeving gaat dus direct aan het doel van ODA voorbij.
Van giften naar leningen
Wat ooit bedoeld was als solidariteit, verandert steeds vaker in een financiële last. Door de geleidelijke overgang van giften naar leningen, is de aard van de financiële hulp fundamenteel veranderd. Mede dankzij nieuwe rekenregels die het donorlanden aantrekkelijker maken om leningen te verstrekken in plaats van subsidies, is het aandeel aan leningen binnen ODA de afgelopen jaren sterk toegenomen. In tegenstelling tot giften die steun bieden zonder terugbetalingsverplichting, brengen leningen structurele kosten met zich mee. Dit betreft niet alleen de schuldaflossing, maar ook rentelast. In 2024 betaalden de minst ontwikkelde landen gezamenlijk meer aan schuldaflossing dan dat zij aan ontwikkelingssamenwerking ontvingen. Er vloeit dus netto meer geld uit deze landen weg dan dat er aan middelen beschikbaar komt voor investeringen in bijvoorbeeld onderwijs of klimaatadaptatie: posten waar ODA daadwerkelijk voor bedoeld is. Dit legt een fundamentele incoherentie bloot in het beleid van donorlanden. Enerzijds benadrukken zij het belang van armoedebestrijding en duurzame ontwikkeling. Anderzijds stimuleren dezelfde beleidsregels een financieringsvorm die juist bijdraagt aan financiële kwetsbaarheid en ongelijkheid. Gedane investeringen in duurzame ontwikkelingen worden ondermijnd door schuldenlasten.
Steun gehinderd door belangenverstrengeling
Verder blijkt dat de minst ontwikkelde landen het minste steun krijgen. Dit komt omdat er door donorlanden wordt geïnvesteerd in partnerschappen met landen waar zij het meeste (geopolitieke of economische) belang bij hebben.
Naast nationale belangen hebben ook private belangen een negatieve impact op deze trend. Private Sector Instruments (PSI) vallen door regels deels onder ODA, waardoor ODA nu wordt ingezet om private investeringen te stimuleren.
Het gevolg is dat de focus en geldstromen verschuiven naar winstgevende projecten en landen met een lager risico, vaak middeninkomenslanden. Deze verstrengeling van belangen houdt de ongelijkheden in stand. Hierdoor blijven de armste landen achter, terwijl die de steun het hardst nodig hebben.
Nederland en EU moeten koers herzien
De geschetste incoherenties laten zien dat ODA steeds verder afdrijft van haar oorspronkelijke doel: het ondersteunen van duurzame ontwikkeling en armoedebestrijding in het Globale Zuiden.
Een drastische koerswijziging, binnen de EU én Nederland, is noodzakelijk: steun moet toekomen aan de armste landen, giften moeten weer de norm worden en binnenlandse kosten zoals vluchtelingenopvang moeten niet meer als ODA meetellen.
Naast een efficiënter en doelmatiger gebruik van ODA, is het noodzakelijk om ontwikkelingslanden mee te nemen in de besluitvorming om beleidscoherentie te faciliteren. Zonder deze hervormingen zal ODA niet bijdragen aan mondiale rechtvaardigheid, maar de bestaande ongelijkheden in stand houden door de belangen van donorlanden te dienen.
Het onderstreept dat beleidscoherentie een thema is dat alle beleidsterreinen aan gaat, ook ontwikkelingssamenwerking. Het kabinet moet zich bewust worden van de incoherente context waarin we opereren. Deze incoherenties vragen om internationale oplossingen, maar dat sluit niet uit dat Nederland stappen kan zetten om het goede voorbeeld te geven.


