Afgelopen vrijdag werd per Beleidsbrief het buitenlandbeleid van Nederland de komende vier jaar uiteengezet. De brief benadrukt het belang van inzet als éen geheel, en er is aandacht voor verbondenheid op de verschillende beleidsterreinen die onder dit ministerie vallen. Binnen Nederland, maar ook met partnerlanden. Toch ontbreekt het hier aan een cruciale dimensie: naast samenhang is ook coherent beleid onmisbaar voor een positieve impact.
We begrijpen dat er keuzes gemaakt moeten worden en dat niet alles een plek kan krijgen in een beleidsbrief. Tegelijkertijd is het met het oog op de geopolitieke situatie in de wereld én de achterblijvende extra investeringen in ontwikkelingssamenwerking een gemiste kans om beleidscoherentie niet te benoemen. Juist in samenwerking met de andere ministeries kunnen nog grote stappen worden gezet in de verdere hopelijk positieve positionering van Nederland in de wereld.
Brede Welvaart als missing link
Een centraal onderdeel van de beleidsbrief is het versterken van welvaart en concurrentievermogen. Uit de beleidsbrief blijkt een duidelijk bewustzijn dat Nederland dit niet alleen kan. Het belang van Internationaal Maatschappelijk Verantwoord Ondernemen en sterke economische partnerschappen staat buiten kijf.
Toch ontbreekt het aan een koppeling aan Brede Welvaart, een kader dat in samenwerking met de kennisinstellingen verankerd zou moeten zijn in de Nederlandse begrotingssystematiek. Als Nederland wil spreken over welvaartsgroei én het zijn van een betrouwbare partner is de Brede Welvaarts-lens een uitstekend instrument. Hoe investeren we in welvaart hier & nu, terwijl we rekening houden met later en elders? Hoe voorkomen we dat de Nederlandse welvaartsgroei ten koste gaat van duurzame ontwikkeling elders.
Coherent en effectief
Er zit een interne spanning in de brief die onbenoemd blijft. Enerzijds wordt gezegd dat Nederland opkomt voor een “open wereldeconomie,” mensenrechten, en gelijkwaardige partnerschappen met het mondiale Zuiden. Anderzijds worden handelsbeschermingsmaatregelen, strategische exportcontrole en het afbouwen van afhankelijkheden als prioriteit gesteld. Zonder een coherentiekader is er geen mechanisme om te toetsen of die doelen met elkaar in conflict komen.
Terecht merkt het kabinet in de beleidsbrief op dat “wereldwijd ODA-budgetten afnemen en de uitvoering van de SDGs stokt”. Juist bij het achterblijven van de benodigde én beloofde extra investeringen een gemiste kans is om in te zetten op beleidscoherentie. Dit is, naast het moreel juiste om te doen, óók een efficiëntie-slag die kostenneutraal kan worden uitgevoerd, maar die wel veel betekent voor het Mondiale Zuiden. Ook voor de SDGs is er hier nog veel winst te behalen.
Een effectief buitenlandbeleid vergt ook afstemming met andere beleidsterreinen, want zoals de beleidsbrief benadrukt is Nederland sterk verweven met de wereld. Dit geldt niet alleen voor Buitenlandse Zaken, maar ook voor FIN, LVVN, VWS, I&W en KGG. Als het kabinet serieus is over de keuze voor strategische regie over verbondenheid moet het hele kabinet hierop aangehaakt zijn. En moeten alle ministeries hun rol hierin vervullen.


