Building Change

Als Nederland koploper wil worden op het gebied van klimaatfinanciering, dan is er nog een flinke slag te slaan

Het was een roerige week voor Nederland op klimaatgebied: Vorige week maandag besloot de Nederlandse regering, onder grote maatschappelijke druk, toch aan te sluiten bij de groep landen die beloofde te stoppen met buitenlandse investeringen in de fossiele industrie. Een stap in de goede richting, maar nog lang niet genoeg als we klimaatverandering écht aan willen pakken. Het (demissionaire) kabinet moet helemaal aan de bak als we, in de woorden van de staatssecretaris voor Economische Zaken en Klimaat Yeşilgöz-Zegerius, willen dat Nederland een “goed voorbeeld kan tonen en andere landen kan bewegen om dit voorbeeld te volgen.” Volgende week kan hierin een belangrijke stap worden gezet, mits we onze internationale klimaatsteun op orde krijgen in de begroting voor 2022 van Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking.

Klimaatfinanciering

Een belangrijk onderdeel van het Parijsakkoord is internationale klimaatfinanciering: rijke landen, die hoofdverantwoordelijk zijn voor klimaatverandering, beloofden arme landen, die zelf nauwelijks bijdragen aan klimaatverandering maar er wel het hardst door worden geraakt, hen vanaf 2020 per jaar met €100 miljard te ondersteunen. Nederland ziet zichzelf als voorloper op het gebied van internationale klimaatfinanciering, maar is duidelijk minder grensverleggend dan zij zelf denkt. Allereerst is het belangrijk om onze bijdrage aan de €100 miljard onder de loep te nemen: Er zijn hier in internationaal verband geen bindende afspraken over gemaakt, maar de fair share van Nederland, berekend op basis van ons bruto nationaal product, zou volgens CARE uitkomen op €1,62 miljard. Uit de begroting van Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking voor 2022 blijkt dat dit blijft steken op €1,3 miljard. Zo is Nederland allesbehalve een koploper op dit gebied, zeker in het licht van de afspraken die gemaakt zijn op de klimaattop in Glasgow, waarbij de rijke landen de ambitie uitspraken om voorbij de €100 miljard te gaan. Belangrijk hierbij is ook dat dit geld evenredig verdeeld blijft tussen mitigatie en adaptatie, zodat arme landen zich kunnen wapenen tegen de gevolgen van klimaatverandering waarmee zij nu al geconfronteerd worden.

In samenspraak met lokale bevolking

Verontrustender is het dat dit geld bovendien niet additioneel is aan het budget voor ontwikkelingssamenwerking, maar hieraan wordt onttrokken. Er is dus geen extra geld beschikbaar voor klimaatsteun; de huidige regering herschikt slechts de verdeling. Positief is wel dat het publieke geld dat wordt verstrekt, giften betreft, en geen leningen, zoals in veel andere landen. Met giften steunt de Nederlandse overheid de ontvangers van het geld rechtstreeks. Zo werken zij zichzelf niet in de schulden (met rentelasten) en ontstaat er niet alsnog een afhankelijkheidsrelatie met Nederland. 

Het allergrootste probleem omtrent internationale klimaatfinanciering is echter dat het nog steeds niet terechtkomt bij de mensen die de hulp het hardst kunnen gebruiken. Onderzoek van ActionAid toont aan dat de Nederlandse klimaatfinanciering niet naar de armste landen blijkt te gaan en óók niet naar de meest kwetsbare groepen in die landen. Dit komt doordat het merendeel van de verdeling van klimaatsteun van bovenaf wordt bepaald, in plaats van in samenspraak met de lokale bevolking. Juist de lokale bevolking weet het beste wat zij nodig heeft, en het zou Nederland sieren als zij hier beter naar zou luisteren. Zo kan Nederland twee vliegen in één klap slaan: Door te investeren in kleine, lokale projecten worden de wensen van de lokale bevolking gehoord en komt het geld automatisch terecht bij de meest kwetsbaren. 

Wil Nederland dus voldoen aan het beeld dat zij van zichzelf heeft als koploper op het gebied van klimaatsteun en een voorbeeld zijn voor andere landen, dan is er veel werk aan de winkel. Een forse verhoging van het budget voor internationale klimaatfinanciering -additioneel aan de BHOS-begroting-  en het vooropstellen van de stemmen en belangen van de mensen die het hardst geraakt worden door klimaatverandering zijn daarbij het belangrijkst. De COP heeft laten zien dat rijke landen als Nederland lang achter de feiten hebben aangelopen; het is nu tijd om initiatief en daadkracht te tonen!